Voordat hij zijn handtekening kon zetten stierf George zelf, waardoor Hendrik in 1539 toch de nieuwe hertog van Saksen werd.
Albrecht koos zijn deel uit de overgebleven gebieden, waarmee het nieuwe Albertijnse hertogdom Saksen ontstond.
Op lokaal niveau stelde de hertog een Amtmann aan, die het hertogelijk beleid in de ämter moest uitvoeren.
Leipzig kreeg op aandringen van de hertog het stapelrecht van de keizer en groeide uit tot de belangrijkste stad van midden-Duitsland.
George stelde vast dat na zijn dood een regentschapsraad uit de Staten het hertogdom moest besturen.
In Saksen werden ongeveer een miljoen schapen gehouden, waarmee het gebied een belangrijke wolproducent was.
In 1465 hadden de broers Ernst en Albrecht van Saksen hun vader samen opgevolgd in het keurvorstendom Saksen.
Op landdagen probeerden de steden de hertog ertoe over te halen om hiertegen op te treden, maar de hertog deed niets om de steden te beschermen.
Om het hertogdom voor het katholicisme te behouden probeerde George te voorkomen dat Hendrik het hertogdom zou erven.
Handel en industrie van Saksen waren geconcentreerd in Leipzig, de grootste stad van het land.
De hertogelijke mijnbouwrechten waren verantwoordelijk voor ongeveer twee derde van de inkomsten van de regering.
