Maurits ging na de succesvolle Tien jaren verder met het moderniseren van het leger.
Maurits marcheerde met zijn leger door naar Hulst, waardoor de Spanjaarden bang waren voor een aanval op Antwerpen.
Die zou Maurits wederom door het oosten van de Nederlanden leiden, om zo de tuinen van de Republiek te sluiten.
Het Spaanse leger stond onder aanvoering van de landvoogd van de Spaanse Nederlanden.
Daarom werd het Staatse leger naar Geertruidenberg gebracht om de stad te belegeren, maar dit beleg moest wegens slechte weersomstandigheden en de nadering van Farnese en zijn leger opgebroken worden.
In het begin van het jaar werd bij Turnhout een groot Spaans leger verrast.
Toen Maurits er met zijn leger naartoe ging, brak Verdugo het beleg op en ging een confrontatie uit de weg.
De kanonnen van het Staatse leger werden in deze periode steeds vaker in de Nederlanden zelf gegoten.
Maurits voerde zijn troepen eerst naar Steenwijk, waar de eerste voorbereidingen voor een beleg werden getroffen.
Maurits reageerde hierop door met een leger van 8000 soldaten naar het oosten te trekken, maar vermeed een directe confrontatie.
