Deze gaf onder andere een vrij nauwkeurige beschrijving van het getij bij Gades (= Cádiz), ook weer in connectie met de positie van de Maan en met logische verklaringen voor het optreden van spring- en doodtij maar ook voor de dagelijkse ongelijkheid.
Een wezenlijke bijdrage van hem aan de theorie zijn de formules die aangeven hoe de periodieke componenten van het getij samenhangen met de inclinatie van de baan van de Maan ten opzichte van het vlak van de evenaar.
Dit laatste is veelbetekenend omdat aan Newton vaak de evenwichtstheorie van het getij wordt toegeschreven, maar die theorie gaat ervan uit dat de hele Aarde met water bedekt is en dat het water zich wrijvingsloos beweegt.
Hij gaf daarbij aan hoe de verschillende variaties in de grootte van de kracht samenhangen met de fasen van de Maan, met de ellipticiteit van de baan van de Maan en van de schijnbare baan van de Zon, en met de declinatie van beide hemellichamen.
Reeds in de oudheid waren de verschijnselen van het getij dus tamelijk correct beschreven, en het verband met de Maan en de Zon gelegd.
Ook Ptolemaeus noemde de Maan als belangrijkste veroorzaker van de getijden maar in hetzelfde werk kende hij ook aan Saturnus een sterke invloed op de getijden toe.
